U bent hier

Schepen die op de rivieren varen

schepen die op de rivieren varen dragen de kop laag in de golf.
het ruim is voor vracht bestemd maar geheel opgegaan,
schijnbaar van het doel ontslagen op de wijde baan en het
zacht murmelend spoor dat luisterend aan boord meeloopt.

de boten schuiven langs gestrekte oevers,
in een brede bocht half verzwolgen door schitterend licht.
ze dromen aan de opgedrongen steden voorbij.
dorpen liggen half verborgen aan wal
bij woelingen door lange kribben ingeperkt.
een hoge vloed hemel overstelpt de toren van een kerk.

nog niet thuis kijkt de schipper door het raam van de kajuit.
hij ziet het dek langzaam wijken naar de achterplecht van het schip,
dat vast op koers ligt. zijn vrouw kent de tijden,
het komen en gaan van het water, half opgericht ziet ze het verslinden,
snel vergaan, opnieuw ontstaan, in een verborgen glinstering dansen.
haar handen rusten op de verschansing.

het schip wordt gedragen naar de avond op een rivier met fijne wervelingen
tussen de oevers breed in het kanten kleed van de krekels.
daar voert het water gedragen lange schepen met gedempte lichten aan.
op het voordek staat een helder licht als een poolster om de afstand tot de nacht te bepalen en een klein rood licht boven de roef dat met het schip lange uren over het donkere water ploegt.

het dek sleept mee met de stroom onverschillig als een droom bewegend
of het zo in een oud voorschrift voor altijd is geregeld.
het schip vordert met zwak geronk en verdwijnt na een tijd uit het gezicht
met dunne sporen die tegen de hoekige basaltstenen lopen.

© <auteur geanonimiseerd>, 2022