U bent hier

(zonder titel)

Zandplooien sieren zijn gezicht; elk Era zijn eigen groef.
Oudheid, wereldspracht, de bokkensprong symbool van
jeugd. Het ontembare, de oude God voor altijd jong. De
roep naar begeerte, niet te stillen lust, het verlangen
- dat blijft.

Zijn gele ogen zagen - was het gister? - nog de prehistorie.
Pans’ geboorte in mistflarden gehuld. Onjuist is de Mythe:
‘Het is de zoon van Penelope en Hermes.’ Hij, de boodschapper
van de goudgevleugelde dromen? Het kan! Maar zij?

De twintig jaren weefster van de deugdzaamheid, het uitgehaalde
lijkkleed? Zij leefde in een andere tijd, later. Haar moreel kompas,
haar trouw, leeft niet in zijn verlokkend hart. Al in het Pantheon
van de Egyptenaren sprong de Heer van het Woud in het rond.

Thamus bij Paxos was nog verward van de sirenes roep, had
vast zeewier in zijn oren; of werd verlokt door de stem van
de jaloerse Poseidon. De Zeegod zijn Amphitrite ontvluchtte hem
al eerder. Nee, de Geitenhorens God is niet dood, hij leeft voort.

Pan lokt en danst; zijn Syrinx, zijn begeerte, gevangen in
een driekwartsmaat. Debussy’s solostuk van ijle klank, zacht-
treurig, smart van eeuwen in slechts drie minuten. De God
zit vast, in een perpetuum mobile van fluitspel, in Arcadia.

Kom, oh Pan, de wereld oud en grijs heeft je nodig.
Kom, uit de bossen, de wereld mist jouw jeugdigheid.
Kom, verleidt ons met je spel(l).

© <auteur geanonimiseerd>, 2021