U bent hier

Met vuren zwaard en kartonnen schild

Had ik maar duizend donsdekens in een kamer van matras. Dan
kampeerde ik de jaargetijden in een wattig tentje van geloken licht.
En las ik met zaklamp spatwaterdicht door het holst van de magie,
mijn Ferrari-rode zakmes tegen de monsters onder het bed.

Was het plafond maar een fluorfirmament van eeuwig vallende sterren,
de muren een Autotron van klassiekers, bepleisterd met de vroege
opwinding van Franka en Kim en een ruimteschip of twee. De boekenkast
de kortste verbinding tussen verwonderland en de wereld die zeker zou.

Waren de polen van het versleten millimetertapijt maar hoog als aren,
goudgeel gebronsd, een verlegen zee onder een hemel van blauw en zon.
Waar de tijd niet voortschrijdt en het nooit te laat is. Te laat voor vroeger,
toen er nog een toekomst. Waarvoor nog tijd genoeg was.

Hij is de vogelverschrikker van stok, op pad met porseleinen moed
en immer overlopen hart over een ongekuiste gele-stenenstraat, zonder
hakken over elke sloot. Hij gelooft alleen niet in tovenaars en van de hielen
lichten is nog nooit iemand thuisgekomen: hem maak je niets wijs.

Er waren wel blozende meisjes, met ogen vol van voor altijd, maar
uiteindelijk toch niet. En het wachten duurt al zo lang. Op het uitlijnen
van de planeten, een gelukkiger gesternte. Op een thuis waar de ramen
open mogen, witte lakens aan de waslijn en zekere armen om mijn hals.

Het is vreemd hoe goed een mens kan slapen op de vliegtuigen
die zijn huis scheren, op de gaslucht die vast het riool weer is en de
lichte druk op de kalken tikker die zo ongehoord hard klopt. Om
in de ochtend toch weer op te moeten staan.
Tegen de weerloosheid.

© Rex Asvlugt, 2015