Een hommel met een ziel van regenparels,
‘s ochtends opgevist,
later opgeslagen,
bedekt de paarse bloem
met rode-zwarte-rode haren.
En onder haar pootjes
rust mijn bijna verankerde verdriet,
dat wacht om meegenomen te worden
naar het hoogste blauw,
waar het zal verdampen
om morgen terug te komen,
veranderd in regenparels,
waarin gevangen verdriet
niets anders meer is
dan de lichte ziel van een warme hommel.
© Anita Botman, 2026