Ik vraag om verbinding,
maar hij kiest voor het scherm in zijn hand.
Mijn omarming verstikt hem,
zijn afwijzing verstikt mij.
Ik hap naar lucht,
woorden blijven steken in mijn keel.
Dit is geen wederzijdse liefde,
fluistert mijn intuïtie.
Waarom doet dit zo’n pijn?
Misschien draag ik het gewicht
van eeuwenoude trauma’s,
patronen die zich herhalen
als echo’s door mijn borstkas.
Angst groeit, eenzaamheid zwelt,
mijn oren gonzen,
mijn tenen wachten op de steken
die ik al ken.
Ik verlang naar eenvoud,
naar de armen van mijn moeder,
waar zonlicht onze glimlach verwarmde
en gegiechel tintelde in onze voeten.
Daar was overvloed,
acceptatie, wederkerigheid.
Waar is dat gevoel gebleven?
Moet ik hem dit laten lezen?
Of slik ik verder alles in,
tot mijn spieren trekken,
mijn ruggengraat kraakt,
mijn benen onrustig dansen
tegen mijn eigen gevoel.
Ik smeek om slaap,
een blauwe mist die alles bedekt.
Naast mij ligt hij vredig,
verdwaald in dromenland.
Ik blijf wakker,
alleen in niemandsland.