Vannacht het paard van de nacht bereden,
en tot mij kwam mijn grootste angst.
Alles wat ik liefhad in het leven
was uit mijn klamme hand gegleden.
Gezichten vloeiden in elkaar over,
zodat er steeds een nieuwe verscheen.
Onder het getrappel van de hoeven
klopte mijn hart in de diepte mee.
De merrie bracht mij naar de open plekken,
verdwaald in mijn verzonken geest.
Van wat ik kende naar het onbekende,
en langs alle mensen die ik was geweest.
In volle galop door het dichte bos
hield ik me vast aan de zwarte manen.
Zover ik zien kon zag ik tranen;
het oud zeer liet mij niet meer los.
Als rivieren buiten hun oevers stromen
en de grond vanonder mijn voeten zakt,
ben ik de lege helft die achterblijft.
Waarom bang zijn voor iets wat toch gaat komen?
Het is vasthouden aan iets
waar je alleen van kan houden;
het onbeschrijfelijke wat
in mijn onderbewuste leeft.
Het is de altijd-strijd
die ik niet kan winnen,
omdat ik ben gebonden
aan een veranderlijke geest.