U bent hier

Kwijt

De wolk kijkt naar de mensen en houdt zijn lachen in:
ze zijn hier pas net, ze moeten nog aan alles wennen.
Met vette vingers wrijven ze vergeefs hun brillen schoon,
maar de wereld blijft wazig en zij blijven wereldvreemd.

Ze zingen het liedje mee zonder de tekst te kennen,
willen zichzelf in de muziek verliezen, verdwalen in taal,
terwijl ze allemaal allang verdwaald zijn, allemaal kinderen
in een winkelcentrum, verlaten, de hand van mama losgelaten.

Maar als kind wisten ze tenminste dat iemand hen kwijt was.
Een kind weet niet beter dan dat de wereld wazig is;
pas bij je eerste bril leer je hoe het al die tijd had kunnen zijn.
En nu zijn ze verdwaald en worden ze door niemand opgehaald.

En ze voelen zich onzichtbaar, daarom beelden ze zich in
dat er een wolkje naar hen kijkt: ze willen gezien worden,
als een kind op de schommel, mama, mama, kijk dan,
kijk hoe hoog ik kan, vang me en hou me vast nadat ik land.

Wie kijkt er naar je, wie is je kwijt? Wie zal je vasthouden,
de wazigheid van je bril wegwrijven, naar je op zoek blijven?

© Friso Bijleveld, 2023