U bent hier

Hij

Had hij maar een hond genomen
-zei de man met de hond-
honden zijn trouw,
beter dan de mensen,
ze slepen je er doorheen
en je komt buiten,
je moet wel en
dat is goed.

Was hij maar meegegaan met mij
-zei de man die wekelijks
naar de sauna ging-
ik heb het hem gevraagd,
je wordt totaal gereinigd,
van binnen en van buiten,
je kunt alles weer aan en
je voelt je daarna goed.

Was hij maar gekomen
- zei de vrouw die diepgelovig was-
we hebben zo op hem gewacht.
De kerk had hem omarmd,
hij had er rust gevonden,
de liefde die hij nodig had,
vergeving van zijn zonden,
want God is goed.

Maar hij bleef zitten waar hij zat
de bierfles bij de hand en in zijn hoofd
zijn moeders beeld, jong en mooi
kort voor hij haar leven had verwoest.
Zijn moeder die nu opgesloten zat
in het tehuis en in haar wrok,
zij die hem verlaten en verraden had
en uitgeleverd aan zijn angst.

Maar wie zijn hol betrad,
de drempel overschreed van zure geur,
vergat zijn vuile trainingsbroek
de alp van lege flessen en
werd meegezogen, opgetild
door zijn verhalen, vol van gram en spot
en vol van vonken licht en lach.
Het was er goed.

Tot hij gevonden werd,
gestorven in zijn kots en stront,
alleen, geen mens erbij
geen God, geen hond.

© <auteur geanonimiseerd>, 2018